Er was eens een klein meisje dat Mila heette. Ze woonde aan de rand van een groot, ademend bos, in een houten huisje met warme dekens en een raampje dat uitkeek op de bomen. Overdag hield Mila van bijna alles: van de geur van regen, van het ruisen van de wind door de bladeren, van het knisperen van blaadjes onder haar laarsjes, en van het lachen van haar mama om de grapjes van haar papa. Maar één ding vond Mila moeilijk — de nacht. Want als de zon achter de bomen wegzakte en het donker zachtjes het huisje binnensloop, dan werd haar hartje klein, en dacht ze: nu ben ik alleen, en al het licht is weg.
Op een avond, net voordat de sterretjes aan de hemel zouden gaan schijnen, hoorde Mila iets heel zachts bij haar raam. Een klein, warm geluid, alsof iemand fluisterde met licht. Ze deed haar oogjes open en zag een piepklein vlammetje dansen in het donker. Het was een glimwormpje, niet groter dan een dauwdruppel, en het gloeide zó zacht en zó lief dat Mila haar angst even helemaal vergat.
"Hallo," zei het lichtje met een stemmetje als een belletje. "Ik ben Lumi. Waarom is je hartje zo klein vanavond, lieve Mila?"
"Omdat het donker is," fluisterde Mila. "En in het donker is alle licht weg."
Lumi lachte een lichtjes-lach en danste een kringetje om haar neus. "Weg? O nee. Het licht gaat nóóit weg. Kom, ik laat je iets zien wat je allang wist — maar een beetje bent vergeten."
Het glimwormpje zweefde tot vlak boven Mila's borst en zei heel zacht: "Leg je hand maar hier, waar je hartje klopt. En sluit je oogjes. Voel je dat? Die warmte?"
Mila legde haar handje op haar borst. En ja — daar was iets. Een warm, rustig gloeien, alsof er heel diep van binnen een klein kaarsje brandde dat ze nooit had opgemerkt.
"Dat," fluisterde Lumi, "is jouw lichtje. En weet je het mooiste? Het gaat nooit uit. Niet als het donker wordt, niet als je bang bent, niet als je heel stil bent. Zelfs niet als je het even vergeet. Nee — het gaat écht nooit uit. Het brandt gewoon door, en wacht geduldig tot je het je weer herinnert."
Mila deed haar ogen open, groot van verwondering. "Heb ik dan zelf een lichtje? Net als jij?"
"Iedereen heeft er één," zei Lumi. "Sterker nog: je bént het licht zelf — we zien het alleen niet, omdat we het al zíjn. Je bent het licht dat er altijd al was. Dat is het vuurtje in jou dat nooit uitgaat… ze noemen het ook wel het oneindige vuur."
Toen zweefde Lumi naar het raam en wenkte haar mee. "Kijk eens naar buiten, lieve Mila." En toen Mila keek, zag ze het pas echt: overal in het donkere bos gloeiden kleine lichtjes. Een oude uil met ogen als twee maantjes. De toppen van het gras waar de dauw het sterrenlicht ving. Een vosje dat door de varens sloop met een zacht schijnsel in zijn vacht. En heel in de verte dreef de maan mee in het water van de beek, alsof ze ook op bezoek kwam.
"De grote boom voor je raam draagt het," fluisterde Lumi. "Het kleinste mosje op de steen — zelfs het steentje zelf. Allemaal dragen we hetzelfde licht. Daarom ben je nooit echt alleen, kleine Mila. We houden elkaars lichtje in de gaten, de hele nacht door."
En terwijl Mila nog met haar handje op haar hart lag, begon Lumi heel zachtjes te zingen. Het was het liedje dat de glimwormpjes al zingen sinds het allereerste begin, om de kinderen te helpen zich te herinneren:
Toen het liedje uit was, was Mila's hartje niet meer klein. Het was warm en wijd en rustig, en het donker om haar heen voelde niet langer leeg — het voelde als een zachte deken vol kleine, gloeiende vriendjes.
"Blijf je bij me?" vroeg ze slaperig.
"Ik ben altijd dichtbij," zei Lumi. "En als je me even niet ziet, leg dan gewoon je hand op je hart. Dan voel je dat je licht er nog is. En dat ik dat ben. En dat jij dat bent."
Mila glimlachte, hield haar handje op haar borst, en viel in slaap met haar eigen lichtje zacht brandend van binnen — het lichtje dat nooit, nooit uitgaat.
Welterusten, klein sterretje. ✦